Aan Gods heilige volk … [onze God en Vader]
koos ons in [Christus] vóór de schepping van de wereld om heilig en smetteloos voor Hem te zijn.
Efeze 1:1,4
Merk op dat Paulus’ brief zich richt tot “Gods heilige volk” (Efeze 1:1). De uitdrukking “heilig volk” wordt gewoonlijk vertaald als “heiligen.” Dit is wie we al zijn in Christus. Maar dan zegt vers 4: “Hij koos ons in Hem … vóór de schepping van de wereld om heilig en smetteloos voor Hem te zijn” Dit is wat we mogen wórden, terwijl we Christus volgen.
Als we deze twee verzen naast elkaar leggen, komen we tot de kern van het mysterie dat “heiliging” van een gelovige heet: we zijn al heilig; we moeten nog heiliger worden. We zijn al heiligen, nu moeten we nog meer als heiligen gaan leven. Kortom, het christelijk leven komt neer op het avontuur om te worden wie we al zijn.
Jij bent een heilige. De term verwart ons omdat we denken aan de heiligen van het katholicisme. Volgend op de gewoonte in de kerkgeschiedenis om de apostelen heiligen te noemen – Sint-Petrus, Sint-Paulus – kregen later ook helden van het geloof deze naam – Sint-Franciscus van Assisi,
Sint-Catharina van Siena, Sint-Patrick, enzovoort. Zelfs in protestantse kerken denken we bij heiligen aan uitzonderlijke gelovigen die een hoog niveau van vroomheid en moed bereikt hebben.
Maar eigenlijk is elke gelovige een heilige, zelfs de mensen die compromissen sluiten of laf zijn. Neem de goddeloze en wereldse gemeente van Korinthe, waar Paulus zich tot richt als “de geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen” (1 Korinthe 1:2).
Het Nieuwe Testament gebruikt de Griekse woorden hagios, hagiasmos en hagiazo om te verwijzen naar een persoon (een heilige), een handeling (heiligen) en een zelfstandig naamwoord (heiliging). De kernbetekenis van de handeling is “afzonderen” of “apart zetten.” Apart gezet door wie? Door God, we zijn Gods bijzondere bezit. Apart gezet waarvoor? Voor het bijzondere voorrecht om Gods karakter te weerspiegelen in de wereld.
We stellen ons voor dat we eerst vergeven worden, door Gods eenmalige reddingsdaad. Laten we dat “dag één” van ons leven met Christus noemen. En dan – zo denken we – begint onze heiliging op “dag twee.” Maar eigenlijk gebeurt een deel van onze heiliging al op “dag één”!
Wat betekent het om een heilige te zijn? Ten eerste betekent het een veranderde status. Een vergelijking kan helpen. Wanneer ik een tandenborstel koop, wordt hij van mij en is hij “apart gezet” voor mij. Vanaf dat moment mag niemand anders dan ik hem gebruiken. Zo ook, wanneer ik gered ben, ben ik van God, apart gezet voor Hem alleen.
Ten tweede betekent het een veranderde staat. We zijn “gered door de heiliging door de Geest en geloof in de waarheid” (2 Tessalonicenzen 2:13). Wanneer we het evangelie omarmen, verandert de Geest onze innerlijke mens en geeft ons een nieuw hart, met een nieuw verlangen en vermogen tot heiligheid.
Onze nieuwe positie in Christus en onze nieuwe gesteldheid in de Geest motiveren en bekrachtigen ons om meer op Christus te gaan lijken – dat wil zeggen: heiliger te worden!
Slechts drie gedeelten in het Nieuwe Testament lijken gelovigen “zondaars” te noemen (al kunnen deze verwijzingen ook op onbekeerde mensen slaan). Maar op bijna 20 plaatsen worden gelovigen heiligen genoemd! Kennelijk vereenzelvigt God ons niet met onze zonde. We zijn geen zondaars die het soms goed doen. We zijn heiligen die het soms verkeerd doen. We zijn geen “zondaars” die proberen iemand te worden die we van nature niet zijn. We zijn heiligen die proberen, door Gods bekrachtigende genade te worden wie we al zijn door Gods reddende genade.