En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen! En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.
Genesis 1:26-27
In 2012 maakte Lance Armstrong de zwaarste val van zijn leven mee. Geen fysieke val, maar een identiteitscrisis. De internationale wielerunie ontnam hem zijn zeven Tour de France-titels. Na de onthullingen over zijn dopinggebruik ligt zijn naam, ooit synoniem voor overwinning op tegenslag, nu in het stof.
Misschien heb je geen prestigieuze onderscheidingen op je naam staan, maar als alles waarmee jij je waarde meet in een oogwenk zou verdwijnen – of dat nu afkomst, populariteit, gezondheid, rijkdom, partner, kinderen, schoonheid, likes op sociale media en vrienden, cv, trofeeën en prijzen, auto of carrière is — zou er dan nog een “jij” overblijven?
Hoe fragiel kunnen onze aardse identiteiten zijn! Onze secundaire identiteiten: man, vrouw, ouder, kind, broer of zus, jurist, onze nationaliteit en etniciteit, een uitblinker op wat voor terrein dan ook – zijn slechts dat: secundair, niet het diepste of waarachtigste deel van wie we zijn.
Hoe geweldig is het dan om te ontdekken dat onze werkelijke identiteit helemaal niet kwetsbaar is. Wie we werkelijk zijn, is niet verdiend, en ook niet gebaseerd op omstandigheden – de God die ons gemaakt heeft, en de Redder die ons gered heeft, schenkt het ons.
Je houdt een spiegel in handen die de cruciale vraag beantwoordt: wie ben ik in Christus? In deze overdenking vinden we veel antwoorden in het eerste hoofdstuk van Paulus’ brief aan de gemeente in Efeze. Maar voordat we daarheen gaan: besef dat Paulus’ brief past in een groter verhaal – de Bijbel – over wie God werkelijk is, en over wie wij werkelijk zijn. Kijk naar het hele bijbelse verhaal voor inzicht in je identiteit, en je zult drie hoofdgedeelten vinden:
Deel 1: De eerste schepping – onze oorspronkelijke, luisterrijke identiteit.
Deel 2: De val van de schepping – onze beschadigde identiteit.
Deel 3: De nieuwe schepping in Christus – onze vernieuwde, luisterrijke identiteit.
Deze studie richt zich op Deel 3: wie ik ben in Christus. Maar in de boodschap van vandaag en de twee volgende, kijken we naar Deel 1: wie ik ben in Gods beeld.
Mis de verbinding niet tussen Deel 1 en Deel 3. Wanneer Paulus zegt: “Wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus” of ons oproept “de nieuwe mens aan te trekken, naar het beeld van God geschapen” (Efeze 2:10, 4:24), impliceert hij dat de nieuwe schepping – de nieuwe zelf in Christus – een herstel is van de oorspronkelijke schepping van de mensheid.
Lees de zes dagen van Genesis 1 door en je merkt hoe de schepping opbouwt en aanzwelt naar een climax. De schepping begint “woest en leeg”: als ongehouwen steen, een klomp klei, een ruwe schets. Maar dan krijgt het vorm. Er is licht en donker. Hemel en aarde. Land en zee. Weidse bewegingen op grote schaal. Dan komt er leven, kleur en fijnere lijnen: koraalriffen en bloementapijten. Dan het dierenrijk: paarden, sprinkhanen en blauwe vinvissen.
Als we verder lezen, barst het leven los in al zijn verscheidenheid, alsmaar toewerkend naar een verbluffend hoogtepunt. Op de zesde dag verschijnt de mens. Pas dan ontmoeten we een schepsel gemaakt naar Gods evenbeeld. Nu is de schepping niet alleen maar “goed” (zoals op de eerdere dagen), maar “zeer goed.”
Wat betekent het om een beelddrager te zijn? Het betekent dat we koninklijk zijn. In onze wereld zijn er bevoorrechten en onbevoorrechten. Sommigen zijn de crème de la crème – vergeleken met hen lijkt bijna iedereen een nobody. Maar wacht! Dat kan niet kloppen, want in Genesis 1 betekent de term “beeld” dat de hele mensheid koninklijk is, geschapen om te heersen. In het oude Nabije Oosten was “beeld van God” een troonnaam voor koningen: de bijzondere vertegenwoordigers van de goden. Recht je schouders. Er is iets in elk mens – ook in jou – dat koninklijk is in Gods ogen.