Ga naar de inhoud
Home » Identity

Identity

Ik ben gekend

Jij bent gekend! God kende je al voordat je geboren werd – zelfs al voor de wereld bestond, zegt Paulus in Efeze 1. Psalm 139 laat zien hoe diep dat kennen gaat: God weet alles van je, tot in de kleinste details, en Hij kende je al toen je nog niet eens gevormd was in de moederschoot.
Dat kennen is meer dan feitenkennis. Het is intiem, zoals blijkt uit een Bijbels woordje dat zowel voor “God kent mij” als voor de liefde tussen twee mensen gebruikt wordt. Net als Abraham en Mozes, die God persoonlijk kende bij naam, mag jij weten dat je nooit uit Gods gedachten bent. In het Narnia-boek De Reis van het Drakenschip zegt Edmund over de leeuw Aslan iets treffends: niet “ik ken hem” is het belangrijkste, maar “hij kent mij.” Zo is het ook met jou: wie je werkelijk bent, hangt niet af van hoe goed jij God kent, maar van het feit dat Hij jou door en door kent – en dat Zijn oog nooit van je afgewend is.

Ik ben geliefd

Jij bent geliefd! In de film Blood Diamond is een jongen (Dia) een kindsoldaat geworden en is hij vergeten wie hij is. Zijn vader vindt hem terug en zegt: “Ik ben je vader, die van je houdt. Je gaat met me mee naar huis.” Die woorden laten de jongen weer weten wie hij is.
Zo gaat het ook met ons. Adam en Eva wisten eerst dat ze geliefd waren door God, tot de duivel de leugen influisterde: “Je bent niet geliefd.” Sindsdien zijn mensen vergeten wie ze zijn. Maar Gods liefde is sterker: Jezus stierf voor ons aan het kruis, terwijl we nog zijn vijanden waren. Niets – geen moeilijke omstandigheden, geen twijfel, geen leugens – kan ons scheiden van die liefde. Ook als je het zelf even niet voelt, blijft het waar: je bent Gods geliefde kind.

Ik ben Heilig

Deze overdenking gaat over heilig-zijn. In de Bijbel worden gelovigen “heiligen” genoemd — dat klinkt misschien als een titel voor bijzondere mensen, maar het betekent gewoon: apart gezet door God, voor God. Er gebeurt iets dubbels: je bent al heilig zodra je gelooft (dat is je nieuwe status), en tegelijk mag je steeds meer gaan leven zoals een heilige (dat is heiliging, een proces). Zelfs de rommelige gemeente van Korinthe noemde Paulus al “heiligen.” De Bijbel noemt gelovigen bijna nooit “zondaars”, maar wel bijna 20 keer “heiligen” — je bent dus geen zondaar die af en toe goed doet, maar een heilige die soms nog fouten maakt en, met Gods hulp, mag worden wie je al bent.

Ik ben uitgekozen

Deze overdenking behandelt Efeziërs 1:3: “gezegend met alle geestelijke zegen” en maakt meteen een belangrijk onderscheid: gezegend-zijn betekent niet dat de omstandigheden van een gelovige altijd voorspoedig zullen zijn. Dit wordt geïllustreerd met het verhaal van Mefiboset (2 Samuel 9): als kleinzoon van koning Saul raakte hij als vijfjarige gehandicapt en in vergetelheid, tot koning David hem vond en, omwille van diens vader Jonatan, alle land van Saul teruggaf en hem blijvend aan zijn tafel liet eten, ook al voelde Mefiboset zich “een dode hond.” Dit is een beeld voor wie “in Christus” is: drie concrete zegeningen worden genoemd: de rijkdom van Gods genade (Efeze 2:7), een blijvende plaats aan Gods tafel (Psalm 23:5), en een geestelijke erfenis met een rol in Gods missie (Handelingen 20:32). De boodschap besluit met de oproep om, anders dan Mefiboset aanvankelijk deed, Gods woord van genade zwaarder te laten wegen dan wat omstandigheden, anderen of wijzelf over ons zeggen.

Ik ben gezegend

Deze overdenking behandelt Efeziërs 1:3: “gezegend met alle geestelijke zegen” en maakt meteen een belangrijk onderscheid: gezegend-zijn betekent niet dat de omstandigheden van een gelovige altijd voorspoedig zullen zijn. Dit wordt geïllustreerd met het verhaal van Mefiboset (2 Samuel 9): als kleinzoon van koning Saul raakte hij als vijfjarige gehandicapt en in vergetelheid, tot koning David hem vond en, omwille van diens vader Jonatan, alle land van Saul teruggaf en hem blijvend aan zijn tafel liet eten, ook al voelde Mefiboset zich “een dode hond.” Dit is een beeld voor wie “in Christus” is: drie concrete zegeningen worden genoemd: de rijkdom van Gods genade (Efeze 2:7), een blijvende plaats aan Gods tafel (Psalm 23:5), en een geestelijke erfenis met een rol in Gods missie (Handelingen 20:32). De boodschap besluit met de oproep om, anders dan Mefiboset aanvankelijk deed, Gods woord van genade zwaarder te laten wegen dan wat omstandigheden, anderen of wijzelf over ons zeggen.

Ik ben een beelddrager – deel 3

Dag 3 sluit de “beelddrager”-reeks af met nog drie aspecten. Psalm 8 en het verhaal van Wout uit Niemand is zoals Jij illustreren de kernboodschap: we vinden ons ware zelf pas wanneer we onze Maker vinden. Naar Gods beeld zijn betekent nederigheid: we zijn schepselen, geen goden. Net als de maan die enkel het licht van de zon weerkaatst, ontlenen we alles wat we hebben en zijn aan God, niet aan onszelf. Ook betekent het verenigbaarheid: alleen de mens is gemaakt voor een relatie van aangezicht tot aangezicht met de Schepper, en de zondeval in Genesis 3 toont hoe de slang precies die relatie aanvalt met de leugen dat autonomie en zelfvervulling los van God tot een “waar zelf” zouden leiden. Tot slot, en bemoedigend, betekent het verlosbaarheid: net zoals de gerestaureerde Sixtijnse Kapel haar oorspronkelijke, stralende kleuren weer liet zien, is het door de zonde vervaagde beeld van God in de mens beschadigd maar niet verwoest. Jezus komt om dat beeld in ons leven te herstellen.

Ik ben een beelddrager – deel 2

Dag 2 bouwt voort op het idee van beelddrager-zijn met drie nieuwe aspecten. Psalm 8 verwoordt de verwondering dat God, de Maker van hemel en sterren, de sterveling kroont “met glans en glorie” – geïllustreerd door het verhaal van Johannes van Kronstadt, die dronken zwervers uit de goot tilde met de woorden dat ze bestemd waren om Gods volheid te huisvesten. Naar Gods beeld zijn betekent ten eerste waardigheid: de bijbelse notie dat ieder mensenleven aangeboren waarde heeft, ligt aan de basis van mensenrechten en de strijd tegen slavernij. Ten tweede betekent het verantwoordelijkheid: God gaf de mens de opdracht om te heersen, wat in bijbelse zin gelijkstaat aan rentmeesterschap: zorgen voor de schepping en opkomen voor de zwaksten, niet tirannieke uitbuiting. Ten derde betekent het gemeenschap: als “mannelijk en vrouwelijk” geschapen naar het beeld van de relationele, drie-enige God, is de mens gebouwd voor relatie en kan hij niet in isolement floreren.

Ik ben een beelddrager

Dag 1 laat zien dat onze ware identiteit niet ligt in wat wankele dingen zoals prestaties, uiterlijk, relaties of status. Het verhaal van Lance Armstrong illustreert hoe snel zulke “aardse identiteiten” kunnen instorten. In plaats daarvan wortelt onze werkelijke identiteit in iets onvergankelijks: Genesis 1:26-27 leert dat God de mens naar Zijn eigen beeld geschapen heeft, mannelijk en vrouwelijk, als kroon op de scheppingsweek. Dit “beeld van God” was in de oudheid een koningstitel, wat betekent dat ieder mens – niet alleen een select groepje – koninklijke waardigheid draagt, gegeven door God en niet verdiend. Deze overdenking (Deel 1 van het grotere bijbelverhaal: schepping, val, nieuwe schepping) legt daarmee de basis onder Paulus’ latere boodschap in Efeziërs over wie we zijn in Christus, omdat de nieuwe schepping een herstel is van dit oorspronkelijke, luisterrijke ontwerp.